Hoofdbeeld Stichting Zie

Hoe wordt de diagnose gesteld?

De diagnose epilepsie wordt in het ziekenhuis gesteld door de behandelaar van uw kind. Dat kan een kinderarts, een neuroloog of een kinderneuroloog zijn. Daarbij gaat de behandelaar van uw kind in eerste instantie uit van wat u als ouder over de aanval(len) vertelt. Wat gebeurde er precies toen uw kind die aanval(len) had? Hoe zag het er uit? En hoe lang duurde het? Waren er bijzondere omstandigheden, had uw kind bijvoorbeeld koorts? Als de behandelaar vermoedt dat uw zoon of dochter epilepsie heeft, zal deze een EEG (hersenfilmpje) laten maken.

Officieel spreekt men bij één aanval nog niet over epilepsie. Dat kan veranderen als er tenminste twee aanvallen zijn geweest en als de beschrijving van ‘het voorval’ past bij de diagnose epilepsie. De behandelaar kan met nog meer zekerheid de diagnose epilepsie stellen, als op het EEG zogenaamde ‘epileptiforme afwijkingen’ gevonden worden. Maar het belangrijkste doel van het EEG is iets te kunnen zeggen over het soort epileptische aanvallen dat uw kind heeft. Een EEG is een momentopname: het kan dus gebeuren dat er tijdens het EEG géén epileptiforme activiteit te zien is, terwijl het vermoeden blijft bestaan dat uw kind epilepsie heeft. Bij twijfel wordt vaak later nogmaals een EEG gemaakt. Vaak zal dit een speciaal EEG zijn zoals een EEG na slaaponthouding of een 24-uurs EEG.

Soms wordt toch de diagnose epilepsie gesteld, ondanks het feit dat het EEG normaal is. De beschrijving van de aanval(len) is dan zo duidelijk dat op grond daarvan de diagnose kan worden gesteld.

Koortsstuipen

Een veelvoorkomende vorm van aanvallen bij jonge kinderen zijn zogenaamde ‘koortsstuipen’. Koortsstuipen zijn ook epileptische aanvallen, maar treden alleen op bij koorts. Bij koortsstuipen spreken we niet van epilepsie.

Geen epilepsie?

Het komt ook voor dat uw kind ‘aanvallen’ lijkt te hebben, maar dat de diagnose epilepsie bij uw kind niet van toepassing is. Het is de vraag wat er dan aan de hand is. Uiteraard is het belangrijk dit goed te onderzoeken, zodat uw kind de juiste (medische) behandeling kan krijgen.

Voorbeelden van oorzaken van niet-epileptische ‘aanvallen’:

  • Een te lage bloedsuikerspiegel (‘hypoglycemie’).
  • ‘Breath holding spells’: kinderen stoppen dan plotseling met ademen, vaak als   gevolg van boosheid.
  • Hartritmestoornissen.
  • Flauwvallen.
  • Migraine.
  • Zelfstimulatie.
  • Hyperventilatie.
  • Pseudoaanvallen (ppeA’s).